by Thomas Poell
Inleiding
Gilles Deleuze heeft
over beroemde filosofen geschreven. Toch moeten zijn boeken niet gelezen worden als een
geschiedenis van de filosofie of een inleiding op het werk van de groten. Deleuze schrijft
niet over filosofie, hij filosofeert. In die zin onderscheidt Deleuze zich van de
gebruikelijke commentaren op het werk van Spinoza, Leibniz, Kant, Nietzsche en Foucault.
Voor Deleuze is filosofie een activiteit, zoals er vele andere activiteiten in de wereld
zijn. Filosoferen is niet in abstracte termen de waarheid over de wereld vertellen, maar
het is een spel met concepten, die ontstaan in een confrontatie met de wereld. It is a
practice of concepts, and it must be judged in the light of the other practices with which
it intervenes (Deleuze 1989: 280). De boeken van Deleuze over andere filosofen kunnen niet
beoordeeld worden als interpretaties, het zijn confrontaties die als het goed is hebben
geleid tot iets nieuws.
Om beter te kunnen begrijpen hoe Deleuze zijn taak als filosoof opvat, is het
interessant om te kijken hoe hij met de geschiedenis van de filosofie omgaat. Soms lijkt
voor Deleuze deze geschiedenis erg simpel te bestaan uit negatieve en positieve krachten,
uit negatie en affirmatie. Toch is dit enkel de vernietigende kant van zijn filosofie, het
koninklijke 'nee' tegen het transcendentale subject. Vóór Deleuze de rijkdom en
complexiteit van de wereld aan kan gaan, moet hij eerst zijn speelveld schoonvegen. Hij
schrijft de geschiedenis van het nihilisme, alhoewel dit voor hem niet meer de lading
heeft die het ooit voor Nietzsche had. De betekenis die Deleuze geeft aan de historische
ontwikkeling van nihilisme is dezelfde.
The supersensible world and higher values are reacted against, their existence is
denied, they are refused all validity. The sensational news spreads: there is nothing to
be seen behind the curtain, 'The characteristics which have been assigned to the real
being of things are the characteristics of non-being, of nothingness. Nothing is true,
nothing is good, and God is dead. (Deleuze 1983: 148)
De ontwikkeling van het nihilisme vanuit het perspectief van Deleuze kan begrepen worden
aan de hand van de boeken die hij heeft geschreven over Leibniz, Kant en Nietzsche. In de
geschiedenis van het nihilisme markeren de concepten van deze filosofen belangrijke
momenten. Deleuze staat aan het einde van de geschiedenis van het nihilisme. God is immers
al lang dood, het bord is gebroken. Deleuze bepaald zijn plaats als filosoof in een wereld
zonder hogere principes.<--
De Plooi
But what happened in this long history of nihilism, before the world lost its
principles? At a point close to us human Reason had to collapse, like the Kantian refuge,
the last refuge of principles. It falls victim to neurosis. But still, before, a psychotic
episode was necessary. A crisis and collapse of all theological Reason had to take place.
That is where the Baroque assumes its position. (Deleuze 1993: 67)
In Le Pli laat Deleuze zien hoe zijn denken verwant is met dat van Leibniz. Leibniz is de filosoof van de Barokke, maar zijn monadologie is ook bruikbaar in het postindustriële tijdperk. Dit is niet geheel toevallig, aangezien er grote overeenkomsten zijn in de geschiedenis van het nihilisme tussen het moment dat er aan God getwijfeld wordt en het moment dat de funderingen van de menselijke rationaliteit aan het afbrokkelen zijn.
Deleuze noemt Leibniz de advocaat van God in een tijd dat de theologie in een lange crisis terecht was gekomen. In de Barokke is de gebruikelijke verdediging van God tegen het kwaad niet meer voldoende, de theologische wereld is letterlijk aan het instorten. Leibniz moet dezelfde wereld opnieuw opbouwen, maar volgens andere principes. Het resultaat is een schizofrene reconstructie van de wereld. Leibniz creëert een veelheid aan principes ter verdediging van God. Het centrale concept dat hij aanvoert in Zijn verdediging is de monade. De monade is de metafysische naam die Leibniz heeft gegeven aan de ziel. Monaden zijn ondeelbare zuivere geestelijke substanties, oneindig in aantal en onvergankelijk. Ze bezielen de materiële werkelijkheid. Onderling vormen ze combinaties, waarbij telkens één domineert. De monade is gesloten, zonder vensters, het is een volstrekte eenheid die tegelijkertijd een oneindige veelheid omvat. Elke monade weerspiegelt het hele universum, maar ieder volgens een unieke reeks die de Schepper erin heeft gelegd.
Deleuze gebruikt de monade om een radicaal perspectivisme te ontvouwen. De monade maakt het mogelijk om de werkelijkheid die zich als een omvattende eenheid aan de ziel voordoet, te conceptualiseren als een niet verder herleidbare individuele eenheid. De individualiteit van het gezichtspunt van de monade wordt gewaarborgd door haar gesloten karakter en de oneindige veelheid die zij omvat. Zolang een serie oneindig is, loopt het individuele immers geen gevaar relatief te zijn en vereenzelvigd te worden met een universele ziel. Het ontbreken van vensters in de monade verwijst naar de specificiteit van het gezichtspunt van de ziel. Deleuze spreekt daarom ook over inflectie in plaats van reflectie, wanneer hij het heeft over de relatie tussen de ziel en de wereld. De monade reflecteert niet op de wereld, maar omvat de wereld vanuit één gezichtspunt. Dit specifieke perspectief verschaft de mogelijkheid om gebeurtenissen te ordenen, het maakt de realiteit mogelijk. Het is belangrijk om in de gaten te houden dat de relativiteit van ervaring en kennis die voortvloeit uit dit radicale perspectivistische standpunt van een heel andere orde is, dan het gebruikelijke relativisme van de Verlichting. Leibniz's relativisme is niet één van de variaties van de waarheid volgens het subject, maar de voorwaarde op basis waarvan de waarheid van een variatie zich kan voordoen aan het subject. Perspectivisme is de waarheid van relativiteit en niet de relativiteit van wat waar is. Elke vorm van universalisme is hiermee uitgesloten.
Perspectivisme houdt in dat de wereld alleen als een object van kennis kan bestaan
vanuit het individuele gezichtspunt, dat betekent echter niet dat de wereld ook alleen
bestaat in het individu. De wereld is er eerder dan de zielen die er in huizen. God
produceert namelijk eerst de wereld en pas daarna de zielen die hierbij horen. De monade
is het resultaat van de wereld, waarin hij zich bevindt. Deleuze benadrukt de
constructivistische kant van Leibniz's filosofie. De ziel wordt geproduceerd, zij is geen
buitenwereldse essentie. De oorsprong van de oneindige veelheid ligt dan ook niet in de
ziel. Tegelijkertijd is de ziel wel oneindige veelheid. Deleuze schrijft:
The soul results from the world that God has chosen. Because the world is in the
monad, each monad includes every series of the states of the world; but, because the monad
is for the world, no one clearly contains the "reason" of the series of which
they are all a result, and which remains outside of them, just like the principle of their
accord. (Deleuze 1993: 26)
Het is in de stap van het individu naar de wereld dat 'de plooi', het operatieve concept van de Barokke, haar betekenis krijgt. De plooi duidt op de beweging van het individu naar de wereld die opgebouwd is uit een oneindig aantal specifieke gezichtspunten. Je kan zeggen dat het gaat om de ontwikkeling van het virtuele naar het werkelijke. Plooien zitten in feite alleen in de ziel. Het concept van de plooi maakt duidelijk hoe de monade een oneindige serie kan zijn. Een plooi is namelijk altijd geplooid in een andere plooi. De uiteindelijke handeling van de plooi zit in het ontplooien, het definiëren van de ziel. Ontplooien is dan ook niet het tegenovergestelde van plooien, maar een voortzetting van de beweging, de voorwaarde van zijn manifestatie. De oneindige plooi beweegt zich tussen de ziel en de materie. Het is de lijn van inflectie die geactualiseerd wordt in de ziel en gerealiseerd in materie.
Het concept van de plooi maakt duidelijk dat Deleuze beslist niet een filosoof van de
(zelf) vernietiging is. Hij conceptualiseert het menselijke organisme als een machine die
nooit ophoudt te bewegen. Het gaat er hem niet om hoe een lijn te eindigen, maar hoe deze
voort te zetten tot oneindigheid. Hier is Deleuze in geïnteresseerd, wanneer hij het werk
van Leibniz, uitvinder van oneindige processen, gebruikt om het postindustriële tijdperk
te begrijpen. In de geschiedenis van het nihilisme is de late twintigste eeuw een tijd
waarin het geloof in de menselijke rede definitief afgebrokkeld is. Maar wat is er gebeurd
sinds de Barokke? <--
De uitvinding van het Subject
Allereerst is de sleutel tot de waarheid aan God ontnomen en aan de mens gegeven. Het
fundament van deze overdracht is door Emmanuel Kant gelegd. Hij heeft voor het eerst de
idee dat subjectiviteit de basis zou kunnen zijn van objectieve kennis systematisch
uitgewerkt. In de geschiedenis van het nihilisme levert hij hiermee het laatste fundament
voor De waarheid.
Kant heeft twee gigantische werken geschreven over de mogelijk om objectieve oordelen uit te spreken over zowel de natuurlijke wereld, waar de wetten van de causaliteit gelden, als de sociale wereld, waar de wetten van de vrijheid gelden. Dit zijn achtereenvolgens de Kritik der reinen Vernunft en de Kritik der praktischen Vernunft. In de Kritik der reinen Vernunft tracht Kant de mens de toegang tot de waarheid te verschaffen door de wereld op zijn kop te zetten. Hij noemt dit de Copernicaanse wending. Zoals Copernicus heeft laten zien dat de sterren niet om de aarde draaien, wil Kant beargumenteren dat de mens zich niet in zijn ervaring van de wereld op de dingen richt, maar dat de dingen zich op de mens richten. Exacter geformuleerd richten de dingen zich op de structuur van het menselijk kennen. De vorm van ons kennen bepaald hoe wij de wereld ervaren. Het heeft dus geen zin om te speculeren over hoe de wereld in zijn essentie is, we kunnen de wereld toch enkel maar op een manier ervaren. In die zin heeft onze ervaring dus een noodzakelijke vorm, namelijk de vorm die ons kenvermogen hieraan geeft. Dit betekent dat juist de specifieke vorm van onze menselijk kennen de objectiviteit van ervaringskennis mogelijk maakt. Zo heeft Kant subjectiviteit uitgevonden en de basis gelegd voor objectiviteit en waarheid.
Nu gaat het er nog om te laten zien welke vorm het menselijk kennen precies heeft. In de eerste plaats kennen we de wereld alleen in de dimensies van ruimte en tijd, maar dat is in dit verband niet zo belangrijk. Interessanter is dat Kant stelt dat onze ervaring van de wereld als eenheid tot ons komt en niet als veelheid. Als ik immers de wereld als veelheid ervaar zou het onmogelijk zijn om nog langer van 'mijn' ervaringen te spreken. Het is alleen mogelijk om iets te ervaren als het zich als eenheid aan mij voordoet. Dit betekent dat veelheid aan ervaringen eerst tot synthese gebracht moeten worden voor zij zich als ervaring aan mij kunnen voordoen. Deze synthese is volgens Kant het resultaat van een verstandshandeling, namelijk het 'ik denk'. Het 'ik denk' begeleid al 'mijn' ervaringen, anders zouden het ook niet 'mijn' ervaringen zijn. Het 'ik' waar Kant het hier over heeft, ligt vóór de ervaring, het maakt namelijk deze ervaring mogelijk, het is het transcendentale 'ik'.
Over het 'ik' dat in de ervaring ligt schrijft hij in Kritik der praktischen Vernunft. Het gaat hier over de mogelijkheid tot vrijheid. Om te begrijpen wat vrijheid is, moet volgens hem een onderscheid gemaakt worden tussen de mens en de natuurwereld. In de natuurwereld zijn alle gebeurtenissen onderworpen aan de causaliteit van natuurkrachten. Hier bestaat dus geen vrijheid. Als de mens zich enkel zou laten leiden door zijn instincten, zou dit betekenen dat ook de mens causaal bepaald is en niet vrij is. Wanneer de mens zich echter door zijn verstand laat leiden, is hij wel vrij. Vrijheid en rationaliteit zijn in de Verlichting een verstandshuwelijk aangegaan. De verlichtte vrijheid draait om de vraag wat het meest rationele uitgangspunt is om handelen op te baseren. Nadat Kant de natuurlijke driften en behoeften heeft uitgeschakeld, is het voor hem vanzelfsprekend om te beargumenteren dat de rationele mens dient te streven naar de morele wetten die hij zelf met al haar goede verstand heeft geformuleerd. De belangrijkste morele wet is volgens hem het streven naar het hoogste goed in de wereld. Wat dit precies betekent kan echter niet met het verstand beredeneerd worden, dat is een kwestie van geloof in God, die het hoogste goed representeert. De conclusie van Kant's filosofie is dat vrijheid enkel bereikt kan worden door te streven naar de hoogste morele wetten en te geloven in God. <--
Het Toeval
Deleuze schrijft dat in de lange geschiedenis van het nihilisme na de ineenstorting van de
theologische rationaliteit ook de menselijke rationaliteit in een crisis is
terechtgekomen. In Nietzsche & Philosophy, dat Deleuze aan het begin van zijn
carrière als filosoof heeft geschreven, gaat hij hier uitgebreid op in. Nietzsche heeft
laten zien dat de kritiek van Kant niet volledig is. Door de kritiek van de menselijke
rede te voltooien, tracht Nietzsche het nihilisme tot zijn uiterste consequenties door te
denken. De les die hij trekt uit dit project, to think is to create (Deleuze 1983: xiv),
zou het motto kunnen zijn van Deleuze's filosofie. De betekenis van Nietzsche voor zijn
denken kan haast niet worden overschat. In het boek Nietzsche & Philosophy lijken ze
soms vrijwel met elkaar samen te vloeien. Het is geen gekke gedachte om te stellen dat het
werk van Nietzsche het beginpunt is van Deleuze's filosofie. De onhoudbaarheid van
abstracte universalistische begrippen en de opvatting van filosofie als specifieke
activiteit zijn hier terug te vinden. Deleuze maakt met behulp van Nietzsche duidelijk
waarom een filosofie van het worden superieur is aan een filosofie van het zijn.
Nihilisme is de ontwaarding van alle hogere waarden. Nietzsche laat zien dat de motor
in de ontwikkeling van het nihilisme de Christelijke 'wil tot waarheid is'.
Het geloof in de aarde als centrum van het universum, het geloof in hemel en hel, zelfs de
Christelijke God valt ten prooi aan de onstuitbare wil tot waarheid. Voor Nietzsche zijn
dit gebeurtenissen om toe te juichen. Toch moeten we voorzichtig zijn en sceptisch omgaan
met 'grote gebeurtenissen'. Velen hebben geroepen dat God dood is, maar niemand heeft de
consequenties hiervan volledig doordacht.
Feuerbach for instance says that man has changed, that he has become God; God has
changed, the essence of God has become the essence of man. But he who is man has not
changed: the reactive man, the slave, who does not cease to be slavish by presenting
himself as God, always the slave, a machine for manufacturing the divine. (Deleuze
1983:158)
Zolang de 'wil tot waarheid' zelf niet als probleem is gesteld, blijft de wereld
functioneren volgens de Christelijke moraal. In de filosofie van Nietzsche wordt de
waarheid, de laatste hogere waarde, bewust van zich zelf als probleem. Nietzsche vraagt
zich af welke 'wil' waarheid als concept met zich meebrengt. Hij beargumenteert dat
waarheid een ware wereld veronderstelt met een op waarheid beluste man in het centrum.
Nietzsche maakt echter duidelijk dat diegene die de waarheid wil, dit niet wil uit naam
van de wereld die er is, maar uit naam van de wereld die er niet is. De op waarheid
beluste man begrijpt het leven als bedrieglijk, hij vervloekt de hogere machten van het
valse. Hij maakt het leven tot een fout en de wereld tot enkel een verschijning. Hij stelt
kennis tegenover het leven en tegenover de wereld stelt hij een hogere wereld.
Kant is bijuitstek de filosoof die de op waarheid beluste man in het centrum van de wereld plaatst. Nietzsche raakt Kant in het hart van zijn filosofische bouwwerk door te laten zien dat transcendentale subjectiviteit en de waarheid die hieruit volgt net als elk ander geloof gestoeld zijn op een aantal specifieke waarden. Weliswaar is Kant er in geslaagd om aan te tonen dat de menselijke rede pas volwassen kan worden, wanneer zij volledig op zich zelf kan staan. Ook heeft hij beargumenteerd dat de verzelfstandiging van de rede een kritische zelfreflectie met zich meebrengt. Kant heeft echter niet gezien dat een dergelijke zelfreflectie vooral moet draaien om de waarden op basis waarvan de mens haar rationaliteit gebruikt. Een volledige kritiek moet een evaluatie inhouden van de waarde van de waarden. Kant lijkt de positiviteit van kritiek te verwarren met het nederig erkennen van de bestaande waarden.
Nietzsche kan de sprong naar een waarden georiënteerde filosofie maken door te
beargumenteren dat het geloof in het a-historische transcendentale ego ongegrond is. Het
ego is een talige constructie. Alleen in het 'ik' heeft het een vaste vorm gekregen. Er is
echter geen reden om te geloven dat er een noodzakelijke verbinding zou zijn tussen de
taal en de materiële werkelijkheid1. Nietzsche
stelt dat de 'zelf' niet een eenheid is, maar bestaat uit een veelheid aan verschillende
toestanden. In de Genealogie van de Moraal bekritiseert hij het bestaan van het vrije
a-historische ego:
No such agent exits, there is no 'being' behind the doing, acting, becoming; the
'doer' has simply been added to the deed by the imagination - the doing is everything.
(Nietzsche 1956: 178-179 (GM I XIII)
In het handelen van het individu wordt de zelf gevormd uit een veelheid aan krachten. Het
concept dat Nietzsche heeft uitgevonden voor de constructie van de zelf door de synthese
van krachten is de 'wil tot macht', die overigens niet alleen betrekking heeft op de mens
maar op alle levensimpulsen. Met de 'wil tot macht' duidt Nietzsche aan dat in alle
krachten een machtsstreven aanwezig is. Door de 'wil tot macht' is er altijd een kracht
die domineert over de anderen en richting geeft aan de wil. Force is what can, will to
power is what wills (Deleuze 1983: 50) De 'wil tot macht' is het element dat zowel het
kwantitatieve als het kwalitatieve verschil tussen individuen bepaald. Overigens is
opvallend hoe sterk de gelijkenis is tussen de conceptualisering van de 'wil' door
Nietzsche en Leibniz's concept van de monade in het werk van Deleuze. Beide concepten
omvatten een veelheid die uiteindelijk tot eenheid wordt gebracht. Bij Leibniz is het de
hand van God die bepaald welke monade domineert, voor Nietzsche brengt de 'wil tot macht'
de veelheid aan krachten tot synthese. De idee van de synthese maakt overigens ook
duidelijk hoe zeer het werk van Nietzsche een kritiek is op de Kantiaanse traditie. Voor
Kant is synthese altijd verbonden met noodzakelijkheid. Het is de transcendentale
voorwaarde van ervaringskennis. Nietzsche introduceert het toeval. Hij maakt duidelijk dat
het toeval verschillende krachten met elkaar in relatie brengt. Alleen in de handeling
krijgt iedere specifieke relatie tussen krachten een definitieve vorm. Ook de 'zelf' is in
die zin het resultaat van een handeling en heeft geen noodzakelijke vorm. Dit betekent dat
de filosofische bespiegeling op de constructie van de zelf niet een neutraal karakter
heeft, maar altijd een waardering inhoudt van de krachten die vorm geven aan de zelf.
Als we naar Kant's kritiek gaan kijken in het licht van de waarden die inhoud moeten
geven aan het handelen van het individu, dan blijkt hoe conservatief Kant te werk gaat.
Hij stelt dat de mens alleen vrij kan zijn, wanneer hij zo rationeel mogelijk handelt.
Rationeel handelen houdt voor Kant het respecteren van de hoogste morele wetten in.
When we stop obeying God, the State, our parents, reason appears and persuades us to
continue being docile because it says to us: it is you who are giving the orders. Reason
represents our slavery and our subjection as something superior, which makes us reasonable
beings. (Deleuze 1983: 92 - 93)
Nietzsche maakt duidelijk dat de mens altijd een slaaf zal blijven zolang deze niet
zijn eigen waarden creëert en zijn handelen baseert op bestaande waarden. Zowel voor
Nietzsche als Deleuze gaat het erom dat leven uitstijgt boven de limieten die er door
kennis aan zijn gesteld en dat denken uitstijgt boven de limieten die door het leven zijn
gesteld. Het leven maakt het denken actief en het denken bevestigd de scheppende kracht
van leven. Belangrijk is het onderscheid dat Nietzsche maakt tussen de slaafse en de
nobele moraal. De slaaf zegt altijd 'nee' tegen alles wat anders is dan hijzelf en buiten
hem ligt, terwijl de nobele uitgaat van de bevestiging van zichzelf. Volgens Nietzsche is
de gehele geschiedenis van de mensheid gedomineerd door de slaafse moraal. Een
uitzondering vormt de prehistorische periode, maar deze kan nooit meer terugkeren. De
mens, als gecultiveerd wezen, is namelijk in essentie reactief, human all-too-human, hij
is niet in staat het toeval en het leven te bevestigen. Nietzsche is dan ook niet opzoek
naar de menselijke essentie die is allang bepaald, maar naar een nieuw gevoel een nieuwe
moraal. Het concept dat hij introduceert om dit te bewerkstelligen is de 'eeuwige
wederkeer'. Voor Deleuze's denken is dit idee cruciaal geweest, zijn differentiefilosofie
is er voor een belangrijk deel door geïnspireerd. De 'eeuwige wederkeer' maakt de
selectie tussen nobel en slaafs handelen mogelijk. Alleen datgene wat zichzelf bevestigt,
kan terugkeren. Het gaat beslist niet om het terugkeren van het identieke. De eeuwige
wederkeer van hetzelfde zou immers verschrikkelijk zijn, juist datgene wat verschillend
wil zijn, wat het toeval bevestigt, is het waard om terug te keren. In die zin maakt de
gedachte aan de 'eeuwige wederkeer' willen creatief. <--
Het spel met principes
Deleuze staat aan het einde van de geschiedenis van het nihilisme. Alle hogere waarden
zijn ontmaskerd. Voor Nietzsche ging het er om het nihilisme te overwinnen. Hij wilde over
de mens heen springen en een cultuur scheppen die de Übermensch mogelijk maakt. Een
creatief wezen, dat geen waarden van buitenaf nodig heeft om zichzelf te bevestigen, maar
steeds zijn eigen waarden schept. Het gaat om het bevestigen van het verschil, het unieke.
Zo een wezen kan ontstaan in een cultuur van het worden, waarin elk verlangen naar
waarheid en essentie is verdwenen. In deze lijn scheef Foucault dat het einde van de mens
nabij was.
Het differentiedenken van Nietzsche is voor Deleuze een beginpunt. Ook Deleuze schrijft over wordingen, over anders worden. Toch valt zijn positie in de geschiedenis van het nihilisme beslist niet samen met die van Nietzsche. Voor Nietzsche had het denken over nihilisme een zeer explosieve lading, alles wat hij bedacht was nieuw en revolutionair. Deleuze neemt een veel pragmatischer positie in. Hij is er nog veel meer dan Nietzsche van doordrongen dat de dood van God vele betekenissen heeft. De Christelijke God mag dan wel dood zijn, maar de reactieve man is nog springlevend in de twintigste eeuw. Het wetenschappelijk apparaat, de overcoderingsmachine, blijft gewoon doordraaien. De relativiteit van dat wat waar is, heeft de man van kennis weliswaar tot grote nederigheid gedwongen. Better to know nothing than to half know many things (Deleuze 1983: 165). Toch is het ascetische ideaal niet veranderd. De behoefte aan zekerheid is niet verdwenen. Meer dan ooit wordt kennis ingezet tegen de toevalligheden van het leven. Kennis is het optimale apparaat in handen van beleidsmakers, marketingmanagers en organisatiedeskundigen.
Voor Deleuze is filosofie in deze instrumentele wereld een mogelijkheid om vluchtlijnen
uit te zetten. Het is een spel met concepten, waarin toevallige botsingen tussen ideeën
nieuwe ideeën produceren. De geschiedenis van de filosofie is voor Deleuze een grabbelton
van concepten. Hij kan de grote filosofen op zijn toneel vreemde nieuwe acts laten
opvoeren. Met hun ideeën jongleert hij tot ze er helemaal duizelig van worden. Hij laat
Leibniz een radicaal perspectivisme ontvouwen. Filosofie is een activiteit tussen andere
activiteiten, die nooit vervangen kunnen worden door abstracte universele relaties. Alleen
vanuit een specifiek standpunt is het mogelijk om daadwerkelijk iets te zeggen. Zo kan
filosofie over de limieten heen gaan die kennis hieraan stelt en nieuwe gladde vlakken
scheppen voor een ander denken. In zijn activiteit als filosoof lijkt Deleuze meer op
Leibniz dan Nietzsche, hij is pragmatischer. Nietzsche is nog te sterk in strijd met de
Kantiaanse traditie, hij moet vernietigen om ruimte te scheppen in de filosofie. Deleuze
hoeft de filosofie niet meer schoon te vegen, het is niet meer nodig om nieuwe wetten op
te stellen. Zijn filosofie staat midden in een instrumentele nihilistische wereld, waar
eerder een gebrek is aan principes dan een overvloed. Net als Leibniz produceert hij een
schizofrene reconstructie van de wereld. Deleuze heeft het over zijn eigen spel wanneer
hij schrijft:
The true character of the Leibnizian game is first of all a proliferation of
principles: play is executed through excess and not a lack of principles; the game is that
of principles themselves, of inventing principles. It is a game of filling holes, in which
emptiness is imagined and where players refuse to give way to absence. (Deleuze 1993:
67 - 68) <--
Deleuze, G., 1983, Nietzsche & Philosophy, New York: Columbia University Press
Deleuze, G., 1989, Cinema 2: The Time-image, Minneapolis: University of Minnesota Press
Deleuze, G., 1993, The fold: Leibniz and the Baroque, Minneapolis: University of Minnesota Press
Deleuze, G. & Guattari, F., 1987, A thousand Plateaus: Capitalism & Schizophrenia, Minneapolis: University of Minnesota Press
Kant, I., 1868, Kritik der reinen Vernunft, Hamburg: Felix Meiner Verlag
Nietzsche, Friedrich, 1967 On the Genealogy of Morals, New York: Random House
1 In de verlichte filosofische en wetenschappelijke traditie van Kant nemen abstracte relaties de plaats in van bestaande relaties tussen krachten, die zij zogenaamd zouden representeren. Werkelijke activiteiten, zoals rennen, spreken en liefhebben, worden vervangen door het perspectief van de derde partij op deze activiteiten.<--